De Noorder Legmeerpolder is een laaggelegen droogmakerij, die eind negentiende eeuw zijn ingericht, na de afronding van de vervening.
Noorderlegmeer (NL11_2_9) heeft watertype “zoete gebufferde sloten” (M1a) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 34 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
2130-EAG-1 (Noorder Legmeerpolder, landelijk)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Noord-Holland en gemeente(n) Amstelveen en Uithoorn. Het waterlichaam Noorderlegmeer heeft de status KRW waterlichaam en is in eigendom van particulieren, Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.
De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor sloten met een kleibodem (M1a), met scores voor macrofauna, waterflora en vis in het groen.
De huidige toestand vergeleken met de doelen –ontoereikend
De toestand in Noorderlegmeer (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is ontoereikend. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Macrofauna.
Ten opdoorzichte van 2009 er sprake van een achteruitgang van vegetatie. De score op de maatlat Waterflora vertoont een positieve trend (0.13 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Macrofauna vertoont een negatieve trend (-0.05 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Vis vertoont een negatieve trend (-0.23 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Stikstof- en fosforconcentraties vertonen een dalende trend (vooruitgang).
Oorzaken op hoofdlijnen
De oorzaak van deze kwaliteit zijn de geringe waterdiepte en hoge voedselrijkdom van het waterlichaam. Dat komt onder andere door overbodige inlaat, overbodig doorspoelen, lozing van kassenwater, het verhogen van het waterpeil in het weidevogelgebied, overbemesting en riooloverstorten. Daarnaast spelen andere factoren een rol, zoals te veel slib, te steile oevers, te intensief schonen en het bovenmatig voorkomen van bodemwoelende vissen.
Maatregelen op hoofdlijnen
De maatregelen zijn gericht op het verminderen van de belasting met voedingsstoffen en verontreinigingen, bijvoorbeeld door maatregelen in de landbouw en glastuinbouw. Daarnaast zijn er ook maatregelen om de habitatomstandigheden te verbeteren, bijvoorbeeld verdiepen van watergangen.
Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.
|
|
Productiviteit water vormt in verschillende delen van het waterlichaam een probleem. De fosforbelasting is te hoog voor een goede ecologische waterkwaliteit, lokaal ontwikkelt zich te veel kroos. De fosforbelasting is zeker te hoog als de waterdiepte en de verblijftijd toenemen. De P-totaalbelasting is (zeer) hoog en nutriëntenconcentraties zijn erg hoog op de bemonsterde locaties in het afvoergebied. De hoge concentraties ortho-fosfaat kunnen de soortensamenstelling van vegetatie ook nadelig beïnvloeden. De fosforbelasting zit net op of onder de kritische waarde. De belangrijkste bronnen van fosfaat zijn: uitspoeling vanuit en afstroming over de percelen en de verharding. Het percentage open water is te klein: slechts 5%. De inlaat en gemaal bevinden zich ver uit elkaar. |
|
|
Lichtklimaat vormt lokaal een probleem. Lokaal, waar water dieper is, is lichtklimaat beperkt door algen. De doorzicht diepte verhouding is in ruim 75% van de locaties groter dan of gelijk aan 0,6, en in 2015 zelfs op bijna 90% van de locaties. Dat komt vooral door de geringe waterdiepte. Mits de P-belasting wordt gereduceerd, blijft het lichtklimaat ook voldoende na het op diepte brengen van sloten. De benthivorevisstand is niet beperkend voor het lichtklimaat |
|
|
Productiviteit bodem vormt geen probleem. Te dikke sliblagen en overmatige submerse bedekkingen komen niet of nauwelijks voor. |
|
|
Habitatgeschiktheid vormt een probleem. Op veel plaatsen (60-75% van de sloten) is het water zo ondiep dat er geen planten kunnen groeien of zal de bedekking beperkt zijn. Zeer vaak zijn de oevers te steil (80% van de watergangen) of zelfs beschoeid. Dit beperkt de emerse vegetatie. |
|
|
Verspreiding vormt geen probleem. De doelsoorten zijn in de omgeving aanwezig en kunnen er ook komen. |
|
|
Verwijdering vormt een probleem. Plaatselijk is er wel te weinig oever- en submerse vegetatie, dit duidt op te intensief onderhoud. |
|
|
Organische belasting vormt mogelijk een probleem. In het stedelijk gebied zijn bladinval van bomen en organisch materiaal uit overstorten bronnen van organisch materiaal. |
|
|
Toxiciteit is een probleem. Er is een hoge toxische druk gemeten in de Noorder Legmeer. Deze druk wordt voornamelijk veroorzaakt door bestrijdingsmiddelen. |
Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en WGP Westeramstel.
| ESFoordeel | SGBPPeriode | Naam | Toelichting | BeoogdInitiatiefnemer | UitvoeringIn |
|---|---|---|---|---|---|
|
|
SGBP3 2021-2027 | Maatregelen in de landbouw om nutriëntenbelasting op de waterlichamen te beperken | Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Agrarisch waterbeheer en Waterdiepte op maat. De maatregel is relevant voor dit waterlichaam, omdat veel watergangen eigendom zijn van agrariërs en grenzen aan agrarische percelen. Precisiebemesting, bodemverbetering en routemaatregelen (bufferzone) zijn maatregelen die opgenomen zijn in agrarische beheerpakketten, investeringssubsidies. We gaan samen met de landbouw een nieuwe stimuleringsregeling voor bovenwettelijke maatregelen nutriënten faciliteren. Vrijwillige maatregelen worden geagendeerd door een watermakelaar en gepresenteerd in studieclubs. Op https://maatregelen-op-de-kaart.nmi-agro.nl/ kan per perceel worden opgezocht welke maatregelen het best uitvoerbaar en nuttigst zijn. Wij zijn regionaal uitgegaan van de goede landbouwpraktijk (GLP) in 2027. De uitworp uit een landbouwpolder neemt daardoor 10% af, voor een belangrijk deel door een grotere retentie door een grotere waterdiepte (meer slootonderhoud) en een afname van meststofverliezen. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 |
| SGBP2 2015-2021 | Beperken belasting glastuinbouw | Deze maatregel wordt genomen in waterlichaam Vaarten Westeramstel, maar heeft ook positief effect voor de Amstellandboezem. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2015-2021 | |
| SGBP2 2015-2021 | Maatregelen landbouw om nutrientenbelasting op de waterlichamen te beperken fase 1 | Deze maatregel wordt uitgevoerd in meerdere waterlichamen: Amstellandboezem, Vaarten Ronde Hoep, Vaarten Groot Mijdrecht, Bovenkerkerpolder, Noorderlegmeer, Groot Wilnis-Vinkeveen Zuid, Polder Demmerik, Vaarten Zevenhoven, Tussenboezem Vinkeveen a, Mijdrechtse Bovenlanden, Vinkeveense Plassen, Vecht, Vaarten Vechtstreek, Stichts Ankeveense Plassen, Kortenhoefse Plassen, Spiegelplas, Wijde Blik, Loosdrechtse Plassen, Ster en Zodden, Maarsseveense Zodden en omgeving, Molenpolder en Westbroek | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2015-2021 | |
|
|
SGBP3 2021-2027 | Stimuleren van verdiepen van watergangen in Noorderlegmeer | Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Waterdiepte op maat. Inschatting is dat vrijwel het gehele ondiepe areaal op diepte kan worden gebracht. In de praktijk kan het zijn dat dit niet mogelijk is (door loopzand, instabiliteit oevers of opbarstrisico’s).Voordat de maatregel kan worden doorgevoerd moeten bronnen van baggeraanwas en de snelheid waarmee er opnieuw bagger ontstaat voldoende bekend zijn. Mogelijk moet ook erosie door vis worden verminderd. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 |
| SGBP1 2009-2015 | Toepassen ecologisch onderhoud oevers hoofdwateren - fase 1 | Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2009-2015 | |
|
|
SGBP3 2021-2027 | Toepassen van ecologisch onderhoud en baggeren van hoofdwateren | Natuurvriendelijk onderhouden is meestal gericht op niet méér verwijderen dan noodzakelijk is. Dus het beheer aanpassen als er te weinig vegetatie is zodat flora en fauna zich kunnen herstellen. Bij alle hoofdwatergangen van ons gebied is beoordeeld welke uitvoeringsmethode we kunnen en willen uitvoeren. In veel watergangen kan 25% van de vegetatie blijven staan. Vanwege ruimtegebrek is het niet mogelijk om overal 25% te sparen. Deze maatregel is opgenomen voor alle waterlichamen waar dit relevant is. Bij het baggeren zal, waar mogelijk, de oevervegetatie worden gespaard en bij de uitvoering zal worden gekozen voor meer natuurvriendelijke technieken | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 |
| SGBP3 2021-2027 | Natuurvriendelijk onderhoud en baggeren van lijnvormige secundaire watergangen | Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Agrarisch waterbeheer en de subsidieregelingen: bijvoorbeeld afrastering slootkanten, drinkbakken voor veedrenking, minder frequent maaien, beheerpakketten ‘baggerspuiten’ en ‘ecologisch slootschonen’ | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 | |
| SGBP3 2021-2027 | Natuurvriendelijk onderhoud van lijnvormige secundaire watergangen: instrumenteel | De Keur laat gebiedsgericht minder frequent schonen toe; implementatie gebeurt in bestuurlijk vast te stellen uitvoeringsprogramma’s onderhoud. Deze maatregel is voor meerdere waterlichamen relevant. | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 | |
|
|
SGBP3 2021-2027 | Maatregelen in de landbouw om bestrijdingsmiddelen te beperken | Deze maatregel is in uitvoering via het Programma agrarisch waterbeheer, LTO glaskracht, handhandhaving en Gemeentelijke RioleringPlannen. Deze maatregel is relevant voor dit waterlichaam omdat in dit gebied glastuinbouw aanwezig is en dit een van de belangrijkste bronnen van bestrijdingsmiddelen is. Het gaat hier om een instrumentele maatregel: handhaving van lozingen, lobbyen voor aanscherping normen gewasbeschermingsmiddelengebruik en verbreden teeltvrij zone (agrarisch waterbeheer). | Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | 2021-2027 |
Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.
Opsplitsing van Bovenkerkerpolder, Noorderlegmeer en uitbreiding met deelgebied 2130-EAG-1. Dit waterlichaam is uitgebreid omdat de toestandsbepaling bij de voormalige begrenzing geen representatief beeld gaf van de ecologische kwaliteit. Er werd gerapporteerd over het minst representatieve gedeelte van de polder. Het belangrijkste argument voor de voorgestelde wijzigingen is vergroten van de transparantie: wanneer er over de toestand in de gehele polder wordt gerapporteerd zijn verbetering of achteruitgang beter te zien. De begrenzing van een geheel afvoergebied is de basis voor de herbegrenzing van dit KRW waterlichaam. Binnen het afvoergebied zijn soms deelgebieden (EAG`s) met ander watertype en/of zeer afwijkende drukken en toestand. Deze zijn niet of als apart waterlichaam begrensd binnen een afvoergebied. Een aantal bestaande delen van waterlichamen zijn geschrapt omdat ze te klein werden en niet aan de criteria voor het begrenzen van KRW waterlichamen.
In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt niet gemeten, voor de KRW worden resultaten uit een ander waterlichaam getoond in formele rapportages (niet in deze factsheet) in formele rapportages (niet in deze factsheet). Fytoplankton wordt 1 keer per 6 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam.
Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).
Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.
Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.
Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.
Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.
Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.
Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.
Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.
GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.
EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.
KRW Kaderrichtlijn water
N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).
EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.
Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.
Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.
Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.
Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.
GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.
SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.
Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.